Begroting 2027

Financiering

Paginanummer in website: 209

Financiering

De treasuryfunctie gaat over het geldbeheer van de gemeente. De gemeente moet altijd genoeg geld hebben om haar verplichtingen op tijd te betalen, zoals uitkeringen, subsidies, salarissen en facturen. Als er tijdelijk extra geld nodig is, sluit de gemeente kortlopende leningen af. Deze kortlopende leningen worden binnen een jaar terugbetaald. Voor investeringen in de stad kan de gemeente langlopende leningen afsluiten. De langlopende leningen hebben meestal looptijden van 5 tot 25 jaar. Het financieringsbeleid zorgt ervoor dat de rente op de leningen zo laag mogelijk blijft met beperkte financiële risico’s. De treasuryfunctie omvat ook het verstrekken van leningen aan en het geven van garanties voor organisaties die voor de gemeente een publieke taak uitvoeren.

Beleid

Financiering

De Wet financiering decentrale overheden (Wet fido) bepaalt de regels voor het geldbeheer van gemeenten en andere overheden. Belangrijk is dat elke gemeente voorzichtig omgaat met publiek geld. Daarom moeten gemeenten letten op risico’s van renteontwikkelingen en zich houden aan regels zoals de kasgeldlimiet en de renterisiconorm. Ook schrijft de wet voor dat gemeenten alleen zaken mogen doen met betrouwbare partijen en gebruik maken van veilige financieringsinstrumenten.

Soms heeft de gemeente tijdelijk meer geld op de bank dan nodig. Als het bedrag boven een bepaalde grens komt, stalt de gemeente dit geld bij het ministerie van Financiën. Dit heet 'verplicht schatkistbankieren'.

Artikel 212 van de Gemeentewet verplicht de gemeente de gemeentelijke regelgeving voor de financieringsfunctie vast te leggen. Dit heeft de gemeente gedaan in de Verordening financiën Rotterdam 2021. De regels zijn verder uitgewerkt in het Treasurystatuut Rotterdam 2021. 

De gemeente betaalt haar investeringen in eerste instantie met eigen geld, dat ze al gespaard heeft in reserves en voorzieningen. Dit wordt interne financiering genoemd. Als er extra geld nodig is, leent de gemeente geld van buitenaf. Door eigen geld te gebruiken in plaats van te lenen, bespaart de gemeente op rente. In plaats van rente te betalen, rekent de gemeente een fictieve rente over het gespaarde geld, de ‘bespaarde rente’. Deze bespaarde rente is voeding van de speciale spaarpot voor investeringen, de bestemmingsreserve Rotterdamse Investeringsmotor (RIM). Dit zorgt voor het behoud van de koopkracht van deze reserve, zodat de gemeente in de toekomst nieuwe investeringen kan blijven doen.

De totale financieringskosten van de gemeente bestaan uit de rente over de leningen en de bespaarde rente over het eigen geld. De gemeente werkt met een omslagrentemethodiek. Deze methodiek verdeelt de financieringskosten van het programma Algemene Middelen over de overige gemeentelijke programma’s. Dit gebeurt via de omslagrente met als verdeelsleutel de boekwaarden van de investeringen op de balans.

Vaststelling van de percentages van de omslagrente en de bespaarde rente gebeurt elk jaar volgens de regels van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV). In 2027 blijven de percentages voor zowel de omslagrente als de bespaarde rente gelijk aan die van 2026, namelijk 2,5%. Daarnaast zijn er regels voor de rente op de Voorziening pensioenen bestuurders. Dit percentage is voor 2026 aangepast van 2,325% naar 2,954%. De Eerste Herziening 2027 wijst uit of aanpassing van deze percentages nodig is.

Leningverstrekking en garantieverlening

Gemeenten mogen volgens de Wet fido alleen leningen verstrekken en garanties geven als het gaat om een publieke taak. De gemeenteraad bepaalt of er sprake is van zo'n taak en of overheidssteun nodig is. Dit kan gebeuren als een externe partij de financiering voor deze taak niet zelf kan regelen. De gemeenteraad kijkt of de te ondersteunen activiteiten belangrijk zijn voor de inwoners van de gemeente en of de gemeente de juiste partij is om te helpen. De gemeente is terughoudend bij het verstrekken van leningen en garanties en gebruikt het “nee, tenzij” principe. De regels voor het geven van leningen en garanties aan organisaties zijn vastgelegd in de Verordening leningverstrekking en garantieverlening Rotterdam 2014. 

In sommige gevallen, zoals bij sportverenigingen, kan de gemeente onder de Subsidieregeling investeringssubsidies breedtesport-, scouting- en speeltuinverenigingen 2024 naast een subsidie ook een lening verstrekken. Bij het verstrekken van leningen en garanties let de gemeente goed op de risico’s en probeert deze zoveel mogelijk te beperken.

Ontwikkeling financiering

De behoefte aan externe financieringsmiddelen zal de komende jaren stijgen. Dit komt doordat de gemeente veel investeert in de stad.

De onderstaande tabel laat zien hoe de waarde van de gemeentelijke langlopende bezittingen zich ontwikkelt. Dit gaat over de investeringen in immateriële, materiële en financiële vaste activa. Immateriële vaste activa zijn bijvoorbeeld bijdragen aan projecten van derden, zoals Hart van Zuid (zwembad en kunstenpand) en voorbereidingskosten voor projecten die nog niet gestart zijn. Materiële vaste activa zijn bijvoorbeeld de terreinen, gebouwen en voertuigen van de gemeente. Financiële vaste activa bestaan voornamelijk uit aandelen in deelnemingen van de gemeente en leningen die de gemeente aan anderen heeft verstrekt.

Voor de financiering van de bezittingen gebruikt de gemeente zowel interne als externe financieringsmiddelen. Interne financieringsmiddelen komen uit de gespaarde gelden in reserves en voorzieningen. Ook het werkkapitaal telt mee als intern financieringsmiddel. Het werkkapitaal in de onderstaande tabel wordt berekend als het verschil tussen de kortlopende bezittingen en de kortlopende schulden, zonder de bankrekeningen en de korte leningen. De kortlopende bezittingen zijn de voorraden (zoals grondexploitaties), debiteuren, vooruitbetaalde en nog te ontvangen bedragen. De kortlopende schulden bestaan uit de crediteuren, de vooruitontvangen en de nog te betalen bedragen. Omdat deze kortlopende schulden hoger zijn dan de kortlopende bezittingen, is het werkkapitaal een intern financieringsmiddel.

De bezittingen zullen de komende jaren met € 2 mld groeien. Veel geld gaat bijvoorbeeld naar de stadsprojecten, verschillende huisvestingsplannen, het vervangen van rioleringen en de bouw van nieuwe onderwijsgebouwen. Meer informatie over de investeringen staat in de paragraaf Investeringen. Een kleine stijging van de interne financieringsmiddelen (€ 0,3 mld) financiert een deel van deze groei. Externe leningen vangen de rest op.

Financieringsbalans (standen ultimo jaar) 2025 2026 2027 2028 2029 2030
Vaste activa            
Immateriële vaste activa 39.103 37.339 35.367 33.395 31.422 29.450
Materiële vaste activa 3.769.449 4.216.304 4.902.949 5.398.610 5.693.502 5.834.498
Financiële vaste activa 588.993 582.589 579.630 576.727 573.772 571.202
Totaal vaste activa 4.397.545 4.836.232 5.517.946 6.008.732 6.298.696 6.435.150
             
Financieringsmiddelen            
Reserves 2.718.780 2.693.947 2.725.072 2.829.070 2.917.422 2.968.213
Voorzieningen 143.942 144.500 146.656 149.997 153.307 156.608
Werkkapitaal 223.063 77.477 75.829 133.569 190.901 250.299
Interne financieringsmiddelen 3.085.785 2.915.924 2.947.558 3.112.636 3.261.629 3.375.120
Externe financieringsmiddelen 1.311.760 1.920.308 2.570.388 2.896.096 3.037.067 3.060.030
Totaal financieringsmiddelen 4.397.545 4.836.232 5.517.946 6.008.732 6.298.696 6.435.150

Externe financieringsmiddelen

De gemeente gebruikt totaalfinanciering en doet niet aan projectfinanciering. De gemeente trekt leningen aan of stalt geld bij de schatkist op basis van de werkelijke totale geldbehoefte (het verschil tussen uitgaven en ontvangsten). Externe financiering gebeurt eerst met kort geld, dat normaal gesproken goedkoper is dan lang geld. Gezien de beschikbare kredietlijnen wordt uitgegaan van een gemiddeld volume van kortlopende geldleningen van € 300 mln. Voor de verdere financieringsbehoefte trekt de gemeente lang geld aan.

De ontwikkeling van de externe financieringsmiddelen is te zien in de onderstaande tabel. Externe financieringsmiddelen zijn vaste schulden en de kortlopende leningen. De vaste schuld bestaat uit de huidige langlopende leningen, de overige langlopende schuld en de financieringsbehoefte.

De huidige langlopende leningen lossen in de komende jaren geleidelijk af. De overige langlopende schuld bestaat vooral uit de ontvangen afkoopsommen van erfpacht. De gemeente zet deze afkoopsommen als schuld op de balans en laat elk jaar een deel in het resultaat vrijvallen.

De financieringsbehoefte is het bedrag dat de gemeente aan nieuwe langlopende leningen aantrekt als de andere balansposten, zoals investeringen, reserves, voorzieningen en de overige externe financieringsmiddelen, zich volgens de begroting ontwikkelen. De financieringsbehoefte voor de komende jaren is in totaal € 1,7 mld.

Op basis van de ontwikkeling van de financieringsbehoefte zal het totaal aan externe financieringsmiddelen tot eind 2030 oplopen tot € 3,1 mld. Dit is ook te zien in de ontwikkeling van de netto schuldquote, die de netto schuldpositie deelt door het totaal van de baten. De netto schuldquote stijgt tot 62,6% in 2030. Dit blijft onder grens van 90% en valt binnen de categorie 'minst risicovol' van de toezichthoudende provincie Zuid-Holland.

De solvabiliteitsratio, die het eigen vermogen deelt door het balanstotaal, daalt. Deze ratio blijft echter boven de 41%. Dit is ruim boven de risicogrens van 20% die de toezichthouder hanteert. Voor meer informatie over de kengetallen, zie de paragraaf Financiële kengetallen.

Externe financieringsmiddelen (standen ultimo jaar) 2025 2026 2027 2028 2029 2030
Huidige langlopende leningen 1.013.570 1.177.984 1.075.932 1.074.671 988.356 986.985
Overige langlopende schuld 37.410 36.305 35.201 34.097 32.992 31.888
Financieringsbehoefte (nieuw aan te trekken langlopende leningen) 0 406.019 1.159.254 1.487.328 1.715.719 1.741.158
Vaste schuld 1.050.980 1.620.308 2.270.388 2.596.096 2.737.067 2.760.030
Kortlopende leningen 260.780 300.000 300.000 300.000 300.000 300.000
Totaal externe financieringsmiddelen 1.311.760 1.920.308 2.570.388 2.896.096 3.037.067 3.060.030

 

Overzicht kasstromen

Het onderstaande overzicht laat de kasstromen zien. Dat zijn de ontvangsten en betalingen van de gemeente. Een negatief saldo duidt op een financieringsbehoefte.

De kasstroom uit operationele activiteiten is het saldo van baten en lasten voor reserveringen. Hierop vinden enkele correcties plaats. Afschrijvingen en mutaties van voorzieningen tellen er bijvoorbeeld bij op, omdat het geen daadwerkelijke uitgaven zijn. Ook de veranderingen in het werkkapitaal tellen mee. Zo heeft het uitgeven van eerder ontvangen overheidssubsidies een negatief effect op de kasstromen. 

De investeringen hebben een grote invloed op het verloop van de kasstromen. Nieuwe investeringen kosten geld, terwijl de verkoop van bestaande investeringen geld oplevert. Normaal gesproken hebben investeringen per saldo een negatief effect op de kasstromen.

De kasstroom uit financieringsactiviteiten heeft te maken met de leningen die de gemeente heeft afgesloten. In 2026 zijn de ontvangsten uit nieuw afgesloten leningen groter dan de betalingen voor het aflossen van bestaande leningen. In de jaren daarna zorgen de aflossingen van leningen voor een negatieve kasstroom.

De totale kasstroom is in alle jaren negatief en dus heeft de gemeente een financieringsbehoefte. De gemeente zal in de komende jaren nieuwe langlopende leningen afsluiten. Uit ervaring blijkt dat sommige geplande investeringen trager verlopen dan verwacht. Dit wordt planningsoptimisme genoemd. Het gevolg is dat de werkelijke geldbehoefte vaak lager is dan de begrote financieringsbehoefte. Volgens de Wet fido mag er pas worden geleend wanneer het geld echt nodig is. Ook moet de looptijd van de leningen passen bij de duur van de geldbehoefte. Alleen bij een langdurige geldbehoefte sluit de gemeente nieuwe langlopende leningen af.

Overzicht kasstromen 2026 2027 2028 2029 2030
Operationele activiteiten          
Saldo van baten en lasten voor reserveringen -24.833 31.125 103.998 88.351 50.791
Aanpassing voor:          
Afschrijvingen en waardeverminderingen (im)materiële vaste activa 159.918 179.357 199.335 209.113 201.201
Mutatie voorzieningen 558 2.156 3.340 3.310 3.301
Subtotaal aanpassing 160.476 181.513 202.675 212.424 204.502
Mutatie werkkapitaal -145.586 -1.648 57.739 57.332 59.398
Kasstroom uit operationele activiteiten -9.943 210.991 364.413 358.107 314.691
           
Investeringsactiviteiten          
Investeringen (im)materiële vaste activa -698.030 -895.194 -730.011 -516.904 -344.589
Desinvesteringen (im)materiële vaste activa en bijdragen derden 93.021 31.165 36.987 14.871 4.365
Mutatie (im)materiële vaste activa -605.009 -864.029 -693.024 -502.033 -340.224
Mutatie verstrekte leningen 12.098 2.477 2.422 2.474 2.088
Mutatie kapitaalverstrekkingen -5.693 481 481 481 481
Kasstroom uit investeringsactiviteiten -598.604 -861.070 -690.121 -499.078 -337.655
           
Financieringsactiviteiten          
Mutatie kortlopende geldleningen 39.220 0 0 0 0
Reeds aangetrokken langlopende leningen 365.000 0 0 0 0
Aflossingen langlopende leningen -200.587 -102.051 -1.261 -86.315 -1.371
Mutatie overige langlopende schuld -1.104 -1.104 -1.104 -1.104 -1.104
Kasstroom uit financieringsactiviteiten 202.529 -103.156 -2.366 -87.419 -2.476
           
Totale kasstroom ( - = financieringsbehoefte) -406.019 -753.236 -328.074 -228.391 -25.439

 

Rente

De Europese Centrale Bank (ECB) heeft zowel in juni als in september 2026 de beleidsrente verhoogd, beide keren met 0,25%-punt. Daarmee steeg de korte rente van 2,0% naar 2,5%. De ECB verhoogt de beleidsrente mogelijk eind 2026 nogmaals met een rentestap van 0,25%-punt. Door geopolitieke en economische ontwikkelingen blijft er veel onzekerheid bestaan over de rente. De lange rente is in 2026 door hogere inflatieverwachtingen sterk gestegen. Deze meerjarenbegroting rekent met een korte rente van 2,75% en voor de financieringsbehoefte met een lange rente van 4,0%.

Renteresultaat

Het onderstaande renteschema geeft inzicht in de rentelasten en -baten, het renteresultaat en de toerekening aan de gemeentelijke programma's. De begroting houdt rekening met het planningsoptimisme door een correctie toe te passen op zowel de externe rentelasten als de toegerekende omslagrente.

Door de stijgende financieringsbehoefte in de komende jaren nemen de rentelasten toe. De externe rente bedraagt € 38,0 mln in 2026 en loopt op tot € 80,5 mln in 2030. Dit is het saldo van de rentelasten over de externe financieringsmiddelen en rentebaten over de verstrekte geldleningen. De interne rente bestaat uit de bespaarde rente over de interne financieringsmiddelen die wordt toegevoegd aan de RIM en de rentetoevoeging aan de pensioenvoorziening. De totale financieringskosten zijn in 2026 € 107,9 mln en  deze lopen op naar € 155,6 mln in 2030.

Deze financieringskosten zijn in de begroting verwerkt. Bij het gehanteerde omslagrentepercentage van 2,5% is het niet mogelijk om deze kosten volledig door te berekenen aan de gemeentelijke programma's. Dit resulteert in negatieve renteresultaten van -€ 1,0 mln in 2026, oplopend tot -€ 19,4 mln in 2030. Deze resultaten blijven binnen de marges die door het BBV zijn toegestaan. De Eerste herziening van de begroting in 2027 is het moment om te beoordelen of een structurele verhoging van het omslagrentepercentage nodig is voor de begroting van 2028.

Renteschema 2026 2027 2028 2029 2030
Rentelasten kortlopende en langlopende leningen -39.638 -53.596 -66.429 -75.732 -81.278
Rentebaten verstrekte leningen 1.600 974 908 836 764
Totaal externe rente -38.038 -52.622 -65.521 -74.896 -80.514
Bespaarde rente over reserves -67.970 -67.349 -68.127 -70.727 -72.936
Bespaarde rente over voorzieningen -537 -551 -605 -689 -771
Rentetoevoeging aan pensioenvoorziening -1.380 -1.380 -1.380 -1.380 -1.380
Totaal interne rente -69.887 -69.280 -70.112 -72.795 -75.087
Totaal toe te rekenen rente -107.925 -121.902 -135.633 -147.692 -155.601
Toegerekende omslagrente 106.905 113.657 122.179 130.307 136.169
Renteresultaat -1.020 -8.245 -13.454 -17.384 -19.431

 

Wettelijke normen

De Wet fido stelt drie belangrijke regels voor de gemeente. Ten eerste moet een banksaldo boven het drempelbedrag verplicht naar de schatkist van het Rijk. Ten tweede mag de gemeente de kasgeldlimiet voor kortlopende leningen (tot één jaar) niet te lang overschrijden. Ten derde moeten de totale rente- en aflossingskosten voor langlopende leningen (één jaar of langer) binnen de renterisiconorm blijven.

Drempel schatkistbankieren
De gemeente mag een klein positief saldo op de bankrekeningen hebben, maar dit saldo mag niet te hoog zijn. Gemiddeld per kwartaal mag het banksaldo niet boven een bepaald bedrag uitkomen. Dit bedrag hangt af van de omvang van de begroting: 2% van de eerste € 500 mln en 0,2% van het meerdere daarboven. In 2026 is dit drempelbedrag € 19,2 mln en in 2027 is het € 19,9 mln. Als het saldo boven deze drempel komt, moet het geld naar de schatkist van het Rijk.

Kasgeldlimiet

De gemeente mag haar activiteiten niet onbeperkt met kort geld financieren. Daarom is er in de Wet fido de kasgeldlimiet opgenomen, die een maximum stelt aan de netto kortlopende schuld. Deze limiet is 8,5% van de begroting van 2027. De getoonde bedragen in de tabel zijn jaargemiddelden. De gemeente houdt rekening met beschikbare kredietlijnen en tijdelijke pieken in de behoefte aan kort geld. Daarom geldt uit voorzorg een marge onder de kasgeldlimiet en stuurt de gemeente op een gemiddelde netto kortlopende schuld van € 300 mln. De kortlopende schuld mag de kasgeldlimiet maximaal drie kwartalen achter elkaar overschrijden. Bij het risico op een structurele overschrijding trekt de gemeente direct nieuwe langlopende leningen aan.

Kasgeldlimiet 2026 2027 2028 2029 2030
Grondslag voor norm: omvang oorspronkelijke begroting 5.106.027 5.428.650 5.428.650 5.428.650 5.428.650
Kasgeldlimiet o.g.v. wet Fido: 8,5% van grondslag 434.012 461.435 461.435 461.435 461.435
Gemiddelde vlottende schulden 300.000 300.000 300.000 300.000 300.000
Gemiddelde vlottende middelen 0 0 0 0 0
Gemiddelde netto vlottende schulden 300.000 300.000 300.000 300.000 300.000
In % begroting 5,9% 5,5% 5,5% 5,5% 5,5%
Ruimte (+) / overschrijding (-) 134.012 161.435 161.435 161.435 161.435

Renterisiconorm

Bij het beheren van de langlopende schulden houdt de gemeente rekening met de renterisiconorm. Deze norm is bedoeld om het risico van hoge rente in de toekomst te beperken door de aflossingen en renteherzieningen goed over de jaren te verdelen. Het is belangrijk om te voorkomen dat er in één jaar te veel aflossingen en renteherzieningen op langlopende leningen plaatsvinden. Het renterisicobedrag is volgens de Wet fido gelijk aan het saldo van de renteherzieningen en de aflossingen. Dit bedrag mag niet hoger zijn dan 20% van de begroting. De renterisiconorm van 2027 is volgens de wet ook de basis voor de toetsing van het renterisicobedrag in de volgende jaren.

Het renterisicobedrag ligt in de meerjarenbegroting ruim onder de renterisiconorm. De gemeente structureert nieuwe langlopende leningen zo, dat de schuld binnen de toekomstige renterisiconorm blijft.

Renterisiconorm 2026 2027 2028 2029 2030
Grondslag voor norm: omvang oorspronkelijke begroting 5.106.027 5.428.650 5.428.650 5.428.650 5.428.650
Renterisiconorm o.g.v. wet Fido: 20% van grondslag 1.021.205 1.085.730 1.085.730 1.085.730 1.085.730
Renteherzieningen 0 0 0 0 0
Aflossingen 200.587 102.051 1.261 86.315 1.371
Risicobedrag 200.587 102.051 1.261 86.315 1.371
In % begroting 3,9% 1,9% 0,0% 1,6% 0,0%
Ruimte (+) / overschrijding (-) 820.619 983.679 1.084.469 999.415 1.084.359

 

Renterisicobeheer

Bij het afsluiten van nieuwe leningen loopt de gemeente een renterisico. Dit risico bestaat ook bij het herzien van de rente van een lopende lening. 

Bij het berekenen van het totale renterisico wordt zowel gekeken naar de korte als de lange schulden van de gemeente. Hierbij wordt naast de herfinanciering ook rekening gehouden met een eventuele uitbreiding van de financieringsbehoefte. Dit levert het totale bedrag op dat blootstaat aan het risico van de rentestijgingen.

De benodigde weerstandscapaciteit moet groot genoeg zijn om een onverwachte, structurele rentestijging van 2% op te vangen. Voor meer informatie over het gemeentelijke beleid rond risicobeheersing, zie de paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing.

Renterisico 2027 2028 2029 2030
Renteherzieningen 0 0 0 0
Financieringsbehoefte (stand primo) 406.019 1.159.254 1.487.328 1.715.719
Renterisicobedrag vaste schulden 406.019 1.159.254 1.487.328 1.715.719
Renterisicobedrag netto vlottende schulden 300.000 300.000 300.000 300.000
Totaal renterisicobedrag 706.019 1.459.254 1.787.328 2.015.719
Renterisico (2%) 14.120 29.185 35.747 40.314

 

Leningverstrekking

De bestaande portefeuille met verstrekte geldleningen heeft een aflopend karakter. Tot 1994 verstrekte de gemeente leningen aan woningbouwcorporaties. In dat jaar is de gemeente een overeenkomst aangegaan met het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW). Hierdoor waarborgt het WSW vanaf dat moment de leningen aan woningbouwcorporaties. Sindsdien trekken woningbouwcorporaties hun leningen zelf aan op de kapitaalmarkt en niet meer bij de gemeente. De komende jaren zal het aantal leningen aan woningcorporaties verder afnemen.

Daarnaast was de gemeente voorheen ook de financier van RET Infrastructuur BV en RET Railgebonden Voertuigen BV. In 2016 is besloten dat de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH) deze rol overneemt van de gemeente. Een klein aantal leningen bleef echter achter bij de gemeente. Deze leningen lopen tot 2026 en de RET herfinanciert deze bij de MRDH.

De overige financiële activa bestaan uit leningen aan sportverenigingen en leningen voor de economische ontwikkeling. Ook leningen via de Kredietbank Rotterdam, het Nationaal Restauratiefonds (NRF) en het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse Gemeenten (SVN) vallen onder deze categorie.

Verstrekte leningen (standen ultimo jaar) 2026 2027 2028 2029 2030
Woningcorporaties 13.308 11.245 9.899 8.534 7.593
Deelnemingen 0 0 0 0 0
Totaal leningen 13.308 11.245 9.899 8.534 7.593
Sportverenigingen 3.603 3.484 3.355 3.230 3.105
Economische ontwikkeling 11.733 11.580 10.779 9.944 9.075
Overig 34.782 34.640 34.494 34.345 34.192
Totaal overige financiële activa 50.118 49.704 48.628 47.519 46.372
Totaal verstrekte leningen 63.426 60.949 58.527 56.053 53.965

 

Garantieverlening

Bij de gemeentelijke garantieverlening wordt onderscheid gemaakt tussen drie soorten garanties: de achtervangpositie bij waarborgfondsen, de garanties voor particulieren en garanties voor rechtspersonen.

Achtervang waarborgfondsen

De gemeente fungeert als achtervanger voor twee verschillende waarborgfondsen: de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW) en de Stichting Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW). Als achtervanger is de gemeente verplicht om renteloze leningen te verstrekken aan deze fondsen als zij in financiële problemen komen en hun vermogen te laag is.

  • Achtervang WEW:
    Het WEW biedt via de Nationale Hypotheek Garantie (NHG) zekerheid aan geldverstrekkers voor het geval een huiseigenaar zijn hypotheek niet kan betalen. Bij gedwongen verkoop van een woning, kan de geldverstrekker het WEW aanspreken voor de restschuld. De gemeente is alleen achtervanger voor hypotheken die vóór 1 januari 2011 zijn afgesloten. Voor latere hypotheken is het Rijk volledig verantwoordelijk.

Voor de portefeuille uit de periode vóór 2011 loopt de omvang van de resterende garanties inmiddels hard af. Het onroerend goed is tegelijkertijd sterk in waarde gestegen. Daarnaast beschikt het WEW over eigen buffers en premie-inkomsten (zoals de eenmalige aanvraagpremie) om verliezen op te vangen. De kans dat het Rijk én gemeenten daadwerkelijk moeten bijspringen (via renteloze leningen) is praktisch verwaarloosbaar.

  • Achtervang WSW:
    Het WSW heeft als doel woningcorporaties te helpen toegang te krijgen tot de kapitaalmarkt door zekerheid te bieden aan geldverstrekkers over rente- en aflossingsverplichtingen van leningen. Als het WSW in financiële problemen komt, kan het beroep doen op de gemeente en het Rijk voor hulp.

Het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) beschikt over een fondsvermogen en kan daarnaast indien nodig obligo ophalen bij deelnemende woningcorporaties. Op het gecommitteerd obligo doet het WSW alleen een beroep wanneer dat noodzakelijk is om middelen in liquide vorm beschikbaar te hebben voortvloeiend uit het risicovermogen in relatie tot geborgde verplichtingen. Ook kunnen woningcorporaties in financiële problemen onder bepaalde voorwaarden een aanvraag doen 
voor saneringssteun. Woningcorporaties bekostigen de saneringssteun zelf via een wettelijk verplichte heffing. Financiële problemen bij corporaties betaalt de corporatiesector in eerste instantie dus zelf via het fondsvermogen WSW, obligo en de saneringsheffing. Pas daarna komen het Rijk en gemeenten in beeld via de achtervang. De achtervang is nog niet eerder aangesproken en de kans dat dit in de toekomst gebeurt is zeer klein.

Onderstaande tabel toont de bedragen van de borgstellingen die de waarborgfondsen hebben afgegeven voor leningen op Rotterdams grondgebied. Dit is niet het daadwerkelijke risicobedrag voor de gemeente, maar dit bedrag is een verdeelsleutel bij een eventuele aanspraak op de achtervangers. 

Borgstellingen door waarborgfondsen (standen ultimo jaar in mln) 2026 2027 2028 2029 2030
WEW 1.565.000 1.365.000 1.165.000 965.000 765.000
WSW 7.288.940 7.288.940 7.288.940 7.288.940 7.288.940
Totaal borgstellingen door waarborgfondsen 8.853.940 8.653.940 8.453.940 8.253.940 8.053.940

 

Garanties voor particulieren

De garanties in de volkshuisvesting voor particulieren hebben vooral te maken met een regeling die tot 1995 van kracht was. Volgens deze regeling gaf de gemeente garanties voor hypothecaire leningen van particulieren. Als er verliezen waren door deze regeling, betaalde het Rijk 50% van het verlies. Deze regeling werd stopgezet toen de Nationale Hypotheek Garantie (NHG) in 1995 werd ingevoerd. Daarnaast heeft de gemeente ook garanties verleend voor leningen die zijn verstrekt door het Nationaal Restauratiefonds (NRF).

Garanties t.b.v. volkshuisvesting (standen ultimo jaar) 2026 2027 2028 2029 2030
Hypotheekgaranties 13.617 10.893 8.170 5.447 2.723
Garantie NRF-leningen 1.015 815 615 415 215
Totaal garanties t.b.v. volkshuisvesting particulieren 14.632 11.709 8.785 5.862 2.939

 

Garanties voor rechtspersonen

In het verleden heeft de gemeente op verschillende beleidsgebieden garanties gegeven aan rechtspersonen. Bij het beoordelen van de risico's van deze garanties wordt er een onderscheid gemaakt tussen verschillende categorieën, waarbij elke categorie zijn eigen kenmerken heeft.

Garanties t.b.v. rechtspersonen (standen ultimo jaar) 2025 2026 2027 2028 2029
Zorg 1.533 1.406 1.278 1.151 1.023
Kunst en cultuur 254 249 244 239 234
Overig 498 470 440 409 376
Totaal garanties t.b.v. rechtspersonen 2.284 2.124 1.962 1.798 1.633

 

Kredietrisicobeheer

Bij het verstrekken van leningen en het verlenen van garanties loopt de gemeente het risico dat de partijen waaraan leningen zijn verstrekt of garanties zijn gegeven, niet aan hun financiële verplichtingen kunnen voldoen. Om dit risico te beperken, neemt de gemeente verschillende maatregelen en voert zij een actief kredietrisicobeheer. De gemeente berekent het risico op wanbetaling van de geldnemers. Dit is het kredietrisico.

De kredietrisicoreserve heeft als doel om optredende verliezen te dekken. Bij het verstrekken van een lening of het geven van een garantie wordt er een eenmalige bijdrage gestort om dit risico af te dekken. Daarnaast betaalt de geldnemer een renteopslag of een garantiepremie, die wordt gebruikt om de kredietrisicoreserve verder aan te vullen. In de onderstaande tabel staan de bedragen per eind 2026 die betrekking hebben op de uitstaande bedragen en de omvang van het kredietrisico.

Voor de garanties in de volkshuisvesting voor particulieren baseert de gemeente zich bij het berekenen van het kredietrisico op de richtlijnen van banken. Met behulp van een kredietrisicomodel zijn de bedragen berekend die minimaal nodig zijn om de risico’s van leningverstrekking en garantieverlening voor rechtspersonen op te vangen. De kredietrisicoreserve is voldoende om het berekende kredietrisico te dekken.

Kredietrisicoberekening Uitstaand bedrag Kredietrisico
Garanties t.b.v. volkshuisvesting particulieren 14.632 410
Garanties t.b.v. rechtspersonen 2.284 418
Verstrekte leningen 63.426 11.668
Totaal 80.343 12.496