Begroting 2027

Weerstandsvermogen en risicobeheersing

Paginanummer in website: 220

Weerstandsvermogen en risicobeheersing

 

Beleid

Voor een gezonde financiële positie moet de gemeente over voldoende weerstandsvermogen beschikken. Dit houdt in dat de gemeente over voldoende middelen beschikt om de financiële risico’s op te kunnen vangen die niet zijn afgedekt. De gemeente wil ook voorkomen dat iedere onvoorziene, financiële tegenvaller direct dwingt tot bezuinigen of dat er juist een onnodig hoge financiële buffer wordt aangehouden. 

Het weerstandsvermogen is opgebouwd uit de verhouding tussen twee componenten, de benodigde en de beschikbare weerstandscapaciteit. Het beleid rondom het weerstandsvermogen is erop gericht om de verhouding tussen de benodigde en de beschikbare weerstandscapaciteit ten minste 1,00 te laten zijn. Dit wil zeggen dat de beschikbare weerstandscapaciteit minstens gelijk is aan de benodigde weerstandscapaciteit. Oftewel, dat er genoeg middelen (beschikbare weerstandscapaciteit) aanwezig zijn om de risico’s (benodigde weerstandscapaciteit) op te vangen. 

Om de benodigde weerstandscapaciteit te bepalen, wordt periodiek geïnventariseerd welke grote financiële restrisico’s (groter dan € 1,0 mln) de gemeente loopt, waarvoor geen beheersmaatregelen of voorzieningen zijn getroffen en geen verzekering is afgesloten. Op basis hiervan wordt door middel van een risico-simulatiemodel de benodigde weerstandscapaciteit bepaald. In het risico-simulatiemodel wordt, gegeven de ingevoerde risico’s, een berekening van de benodigde weerstandscapaciteit gemaakt aan de hand van 5000 automatisch gegenereerde mogelijk situaties en met een percentage van 95% zekerheid. Dit betekent dat de benodigde weerstandscapaciteit 95% van de mogelijke situaties weerspiegeld. Onderstaand is weergegeven welke risico’s zijn betrokken bij de berekening van de benodigde weerstandscapaciteit. Tevens is toegelicht hoe het risicoprofiel zich ten opzichte van voorgaande begrotingsproducten heeft ontwikkeld. 

De benodigde weerstandscapaciteit wordt afgezet tegen de beschikbare weerstandscapaciteit. Bij de beschikbare weerstandscapaciteit wordt gerekend met de onderstaande bestanddelen:
•    De algemene reserve;
•    De risicoreserves die zijn gevormd om een specifiek financieel risico af te dekken (op dit moment zijn dit de kredietrisicoreserve en de bestemmingsreserve BUIG (gebundelde uitkering voor inkomensgerechtigden);
•    De wettelijk verplichte stelpost voor onvoorziene lasten (kortweg aangeduid als: stelpost onvoorzien).

Bij de tabel ontwikkeling weerstandsvermogen wordt toegelicht en inzichtelijk gemaakt hoe het weerstandsvermogen zich in de loop van de tijd ontwikkelt.
Indien op enig moment het weerstandsvermogen als gevolg van forse financiële tegenvallers minder dan 1,00 bedraagt, worden er maatregelen getroffen die het aannemelijk maken dat het weerstandsvermogen zo spoedig mogelijk weer 1,00 of meer zal bedragen. 

Risico's

In onderstaande tabel worden de financiële risico’s (>= € 1,0 mln) welke mee worden genomen in de berekening van de benodigde weerstandscapaciteit toegelicht. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen kwantificeerbare en niet-kwantificeerbare risico’s. Per kwantificeerbaar risico is een inschatting gemaakt van de kans dat het risico optreedt, de financiële gevolgen en het jaar waarin de gemeente het risico loopt.

Kwantificeerbare risico'sKans op risicoIngeschat minimumbedrag (x € 1.000,-)Ingeschat maximumbedrag (x € 1.000,-)Kans op optreden in jaar
Leningen en garantiesbuiten model12.49612.4962026 e.v.
Bij het verstrekken van leningen en het verlenen van garanties loopt de gemeente het risico dat de betrokken partijen niet aan hun financiële verplichtingen kunnen voldoen en de gemeente financiële schade oploopt. De gemeente berekent de risico’s op wanbetaling van de betreffende geldnemers aan de hand van een methodiek die ook wel door banken wordt gehanteerd.
Inkomensregeling (BUIG)10%042.0002026
30%
0
43.000
2027
30%
0
32.000
2028
25%
0
32.000
2029
20%
0
32.000
2030
Het BUIG-saldo is het verschil tussen de inkomsten die Rotterdam van het Rijk ontvangt voor het verstrekken van bijstandsuitkeringen (het BUIG-budget) en de verstrekte bijstandsuitkeringen aan Rotterdammers. De verwachte BUIG-tekorten voor het lopende en volgende begrotingsjaar zijn in de begroting verwerkt.
Voor 2028 en verder wordt ervan uitgegaan dat de uitkeringslasten gelijk zijn aan het BUIG-budget (het BUIG-saldo is dus nul). Het risico is dat het geraamde BUIG-saldo negatiever uitpakt.
Specifieke risico's zijn:• Als het Rotterdamse bijstandsvolume een ongunstigere ontwikkeling van het aantal uitkeringen kent dan het landelijke bijstandsvolume zal dit leiden tot een financieel tekort.
• In de huidige begroting is voor het BUIG-budget uitgegaan van het nader voorlopig budget 2026 (gepubliceerd eind april 2026). Eind september 2026 worden het definitief budget 2026 en het voorlopig budget 2027 gepubliceerd. Een risico is dat het BUIG-budget lager is dan verwacht.
Voor de kans op optreden van dit risico geldt:• Voor het lopende jaar wordt de kans op het optreden van een groter BUIG-tekort ingeschat op 10%. De kans is laag, want de huidige ontwikkeling van het bijstandsvolume (ten opzichte van het landelijke gemiddelde) is in lijn met de begroting, en het budgetaandeel van Rotterdam in het BUIG-budget ligt vast voor dit jaar.
• Voor de komende jaren ligt de kans op een BUIG-tekort hoger, onder meer omdat het BUIG-verdeelmodel jaarlijks tot een gewijzigd budgetaandeel voor Rotterdam leidt en onvoorspelbaar is. Bovendien is er - gezien eerdere tekorten - een hogere kans op tekorten in 2028.
Voor 2029 en 2030 daalt het risico weer onder de aanname dat door het treffen van gerichte maatregelen (afspraken met het Rijk over het BUIG-budget of inzet van specifiek beleid) de kans op een BUIG-tekort gaat afnemen.
Voor het maximale bedrag geldt:• Het maximum wordt bepaald door de vangnetregeling BUIG. Dit is een financiële regeling waarmee gemeenten onder voorwaarden extra geld kunnen krijgen als zij een groot tekort hebben op hun bijstandsbudget. Met ingang van 2026 is deze vangnetregeling verruimd.
• Voor 2026 en 2027 is het maximale eigen risico voor de gemeente naar verwachting 7,5% van het BUIG-budget, dat in die jaren respectievelijk € 652 miljoen en € 648 miljoen bedraagt. Daarop brengen we de tekorten in mindering die reeds in de begroting zijn verwerkt. Resultaat is het maximale aanvullende tekort op de BUIG.
Voor de jaren daarna wordt uitgegaan van een ongunstig scenario van aanhoudende tekorten. Er gaat dan een lagere eigenrisicodrempel voor Rotterdam gelden, zodat een groter deel van het tekort wordt vergoed.
Daarom wordt voor 2028 tot en met 2030 uitgegaan van een maximaal tekort van 5% van het BUIG-budget (€ 648 mln.). Hierbij wordt ervan uitgegaan dat ook aan de overige voorwaarden van de vangnetregeling wordt voldaan.
Renterisico50%02.3532026
50%
0
14.120
2027
50%
0
29.185
2028
50%
0
35.747
2029
50%
0
40.314
2030
Bij toekomstige financiering loopt de gemeente een renterisico. Dit is het risico dat de marktrente waartegen wordt geleend hoger uitvalt dan geraamd. Tevens bestaat er een renterisico op het moment van renteherziening bij een lopende lening.
Een stijging van de rentetarieven ten opzichte van de begroting leidt namelijk tot hogere rentelasten. Bij berekening van het risico wordt er vanuit gegaan dat een structurele rentestijging van 2% moet kunnen worden opgevangen.
Gemeentefonds (herijking verdeelmodel)50%011.8002029 e.v.
Het vervolgtraject van de herijking van het gemeentefonds en het periodieke onderhoud van het gemeentefonds kan tot een lager gemeentefonds leiden.
Gemeentefonds (BTW-compensatiefonds)15%05.0002026
25%
0
5.000
2027 e.v.
Risico dat -landelijke- declaraties bij het BTW-compensatiefonds (BCF) zich anders ontwikkelen dan geraamd.
Gemeentefonds (ontwikkeling verdeelmaatstaven)50%015.0002026 e.v.
Risico dat de bestaande verdelingsmaatstaven zich anders ontwikkelen dan geraamd.
OZB-opbrengsten40%010.0002026 e.v.
De begrote en gerealiseerde OZB-opbrengsten kunnen van elkaar afwijken. Oorzaken zijn onder meer het continu in beweging zijn van de stad en het daardoor niet vaststaan van de grondslag, onzekere uitkomsten van beroeps- en bezwaarprocedures en effecten van de conjunctuur op de waardeontwikkeling en oninbaarheid.
Lobby Commissie van Ark50%039.8002028 e.v.
In het verleden is besloten tot het in de begroting opnemen van extra baten vanuit het Rijk voor de gemeentelijke uitvoering van jeugdhulp, vanuit een daarop gerichte lobby richting het Rijk. In het coalitieakkoord zijn middelen opgenomen om deze reeks in 2026 en 2027 te salderen. De reeks blijft echter staan vanaf 2028.
Vanuit het college is nog steeds het standpunt dat het Rijk bij moet dragen aan de groeiende jeugdhulpkosten. In het coalitieakkoord ‘Vaart maken’ is opgenomen dat er veel meer Rijksgeld nodig om de belangrijke taak op jeugdzorg uit te kunnen voeren.
Het tweede advies van de Deskundigencommissie Jeugd (geleid door Tamara van Ark) wordt verwacht in begin 2027. Deze onafhankelijke commissie beoordeelt de voortgang en financiële ontwikkelingen van de Hervormingsagenda Jeugd.
De verwachting is dat het advies zal worden gegeven, net als bij het eerste advies, om extra middelen vanuit het Rijk beschikbaar te stellen aan gemeenten ter compensatie van groeiende kosten jeugdhulp. Echter is het onduidelijk of en hoe groot deze compensatie zal zijn en of het Rijk het advies van de commissie van Ark ook daadwerkelijk zal overnemen.
Ruimen bommen50%02.8002026 e.v.
Het Rijk subsidieert 68% van de ruimingskosten van oorlogsresten. Dit betekent dat de gemeente Rotterdam voor de overige 32% zelf dekking moet vinden. Het uitgangspunt is dat blindgangers niet actief worden geruimd en dat zoveel mogelijk kosten ten laste van gemeentelijke projecten worden gebracht. Uiteindelijk bestaat een risico dat geraamd wordt op € 2,8 mln.
Risico-opslag grote projecten50%05.0002026 e.v.
Om binnen een groot project financiele tegenslagen te kunnen opvangen, maakt een risicoreserve deel uit van de projectkostenraming. De risicoreserve ziet toe op de risico's die specifiek voor het project gelden. Het projectbudget wordt conform deze projectkostenraming bepaald, aangevuld met een onzekerheidsreserve.
De onzekerheidsreserve biedt aanvullende zekerheid dat het project, bij een gelijkblijvende scope, binnen het beschikbare budget wordt afgerond.In aanvulling hierop wordt bij de berekening van de benodigde weerstandscapaciteit rekening gehouden met het risico dat het totaal van alle projectbudgetten, ondanks het aanhouden van deze reserves, overschreden wordt.
Financieel risico i.r.t. enkele deelnemingen in investeringsfondsen50%09.4002026 e.v.
Een investeringsfonds is een verbonden partij, waarin de gemeente, vaak met andere partijen, participeert ter realisering van maatschappelijk rendement. Via een investeringsfonds investeert de gemeente in projecten met een hoog risicoprofiel, die op de reguliere kapitaalmarkt geen financiering kunnen aantrekken.
Investeringsfondsen zijn daarmee risicovoller dan andere verbonden partijen. Vanwege dit hoge risicoprofiel is tijdige en volledige terugbetaling door het fonds niet gegarandeerd.
Compenserende maatregelen en nadeelcompensatie50%3.00017.3842026 e.v.
Bij projecten loopt de gemeente het risico op planschades en het nemen van compenserende maatregelen. Vooralsnog doet het risico zich bij een beperkt aantal projecten voor. Hierdoor ontstaan mogelijk kosten voor de gemeente om de voorgenomen projecten binnen de kaders in uitvoering kunnen brengen. De mate waarin is niet duidelijk.
Om vertrouwelijkheid van informatie te waarborgen is ervoor gekozen om de afzonderlijke projectrisico’s gezamenlijk te presenteren.
Functioneel LeeftijdsOntslag (FLO) Gezamenlijke Brandweer50%7.0007.0002026 e.v.
De Gezamenlijke Brandweer (GB) heeft voor de komende jaren een aanzienlijke verplichting ten aanzien van FLO-uitkeringen: het totaal aan ingeschatte (mogelijke) verplichtingen op basis van een in januari 2026 opgestelde calculatie in het kader van de FLO-regeling bedraagt € 23 mln.
Gezien het feit dat deze verplichting in de komende jaren (binnen bepaalde bandbreedte) min of meer gelijkblijvend is, hoeft hier volgens de BBV geen voorziening voor in de balans te hoeven worden opgenomen.
Ondanks dat het percentage materialiteit van 3% naar 2% zal gaan en de kostenverhogende ontwikkelingen rondom FLO (nieuwe CAO-indexatie en de stapsgewijze verhoging van het RVU% naar 65% in 2028) wordt de kans dat we buiten de bandbreedte komen, steeds kleiner (vanwege de afgenomen jaarlijkse verschillen en de toegenomen hoogte van de begroting).
Desondanks is het niet ondenkbaar dat in de komende jaren niet meer aan de voorwaarden om niet te voorzien in de balans kan worden voldaan, met als gevolg een forse voorziening en een (sterk) negatief eigen vermogen. Het bestuur van het OLGB is op de hoogte van dit risico.
Jeugdwet (jeugdoffensief)25%076.0002028 e.v.
In het coalitieakkoord ‘Vaart maken’ zijn extra financiële middelen beschikbaar gesteld voor de groeiende kosten Jeugdhulp. Echter deze zijn onvoldoende de aanvullende bezuinigingen van het Rijk (vanuit de Hervormingsagenda) vanaf 2028 te compenseren.
Daarnaast zien we de kosten voor jeugdhulp stijgen. Met het Jeugdoffensief nemen we acties om de verwachte groei om te buigen en binnen begroting te blijven. Het is onzeker of het volledig lukt om deze verwachte groei terug te dringen.
Rijksbijdrage Regeling opvang ontheemden Oekraine25%01.7912030 e.v.
De Regeling opvang ontheemden Oekraïne (RooO) bevat de afspraken en richtlijnen die gemeenten toepassen bij de opvang van ontheemden uit Oekraïne. De bijdrage vanuit het Rijk voor de uitvoering hiervan loopt via de Bekostigingsregeling opvang ontheemden Oekraïne (BooO).
Met ingang van 1 juli 2026 is daarnaast de Regeling tijdelijke bekostiging opvang en huisvesting gemeenten, ook wel de doelgroepflexibele regeling, in werking getreden.
De bestaande bekostigingsregeling loopt gedurende de overgangsperiode nog door tot en met 31 december 2026. Vanaf 1 januari 2027 vindt de bekostiging plaats via de doelgroepflexibele regeling, die loopt tot 4 maart 2030.
De doelgroepflexibele regeling biedt dekking voor de lopende huurcontracten tot 4 maart 2030, voor zover de betreffende locaties en kosten door het Rijk worden goedgekeurd. Een aantal huurcontracten loopt echter door tot na de einddatum van de nieuwe regeling.
Voor deze periode is op basis van de huidige inzichten geen Rijksdekking beschikbaar. Hierdoor ontstaat voor de gemeente Rotterdam een financieel risico van € 1,791 miljoen.
Momenteel is Rotterdam verantwoordelijk voor de opvang van circa 6.000 vluchtelingen. Deze mensen worden op verschillende locaties, verspreid over de stad, opgevangen. De opgave Vluchtelingen is financieel vrijwel geheel afhankelijk van Rijksbijdragen.
Voor een deel van de geraamde kosten zijn deze Rijksbijdragen op dit moment nog niet vastgesteld en toegekend. Hierdoor wordt een tekort voorzien bij het realiseren van duurzame opvanglocaties.
Daarnaast worden de noodzakelijke kosten voor omgevingsmanagement rondom de opvanglocaties, opvangbegeleiding en ondersteuning om de locaties en de omgeving leefbaar te houden, binnen de opgave vanuit de Spreidingswet naar huidige inzichten niet of niet volledig vergoed.
Voor zover deze kosten niet vanuit het Rijk worden vergoed, bestaat het risico dat deze ten laste komen van de gemeente Rotterdam.
Afvalverwerking lachgascilinders en overige financiële geschillen tussen gemeente en AVR20%3.70214.1372026
20%
1.134
8.673
2027 e.v.
Het risico dat aanvankelijk benoemd werd als "Afvalverwerking lachgascilinders" wordt nu breder aangemerkt als "Afvalverwerking lachgascilinders en overige financiële geschillen tussen gemeente en AVR". Volgende vijf onderwerpen zijn onderwerp van gesprek met AVR, worden als één deal met hen besproken en worden daarom als geheel meegenomen in dit genoemde risico.
Belangrijk om hierbij te duiden dat onderstaande drie onderwerpen het totaal risico voor de gemeente juist verlagen; dit zijn juist gelden die de gemeente te veel heeft betaald of heeft gemist. 1. Geleden schade bij AVR wegens ontploffende lachgascilinders in de ovens (éénmalig in 2023).
2. Aanvullende kosten bij AVR voor aanpassing werkzaamheden wegens lachgascilinders (oplopend vanaf medio 2023; kosten per verwerkte tonnage).
3. Te veel betaalde verbrandingsbelasting over nagescheiden PMD-materiaal (sinds 2019). Op dit moment wordt er verbrandingsbelasting betaald over alle tonnen restafval die aangeleverd worden bij AVR. Er is echter een gedeelte dat door nascheiding uit het afval wordt gehaald en niet verbrand wordt. Hier wordt dus ten onrechte deze belasting over betaald.
4. Gemiste PMD-vergoeding wegens de brand (september 2023) bij AVR. Na de brand heeft AVR een periode geen gebruik kunnen maken van haar nascheiding installatie. Het aantal tonnen afval wat over de nascheiding is gegaan (en waar Gemeente Rotterdam haar PMD-vergoeding vanuit Verpact voor ontvangt) is gedurende deze periode flink gedaald.
5. CO2-heffing over nagescheiden materiaal. Met ingang van 1 januari 2026 wordt de CO2-heffing op de verbranding van fossiele afvalstromen doorgelegd (stapsgewijs verhogend) aan de Gemeente Rotterdam. Het deel wat niet wordt verbrand, maar uit de nascheiding volgt dient hierin niet meegenomen te worden naar mening van Gemeente Rotterdam.
Grondexploitaties50%048.8002026 e.v.
Op basis van de actuele inzichten uit de Markt-, Grond- en Vastgoedrapportage Rotterdam is door middel van een risicoanalyse het financiële effect bepaald van de risico's die volgen uit de marktanalyse van wonen en werklocaties, en van de algemene prijsontwikkelingen. Hiervoor zijn de omgevingsrisico's vertaald in verschillende scenario's.
De benodigde weerstandscapaciteit voor de grondexploitatieportefeuille wordt berekend als het verschil tussen het huidige ingerekende scenario (base-case) en een realistisch worst-case scenario. Door de huidige volatiele markt ligt het worst-case scenario op dit moment beduidend dichter bij het base-case scenario dan voorgaande jaren, wat leidt tot een relatief laag risico.
Digitaal Stelsel Omgevingswet50%1.0001.0002027 e.v.
Er loopt een juridische procedure die uitsluitsel moet geven of lasten betrekking hebbende op het Digitaal Stelsel Omgevingswet (gedeeltelijk) opgenomen mogen worden in de leges omgevingsvergunningen. Anticiperend op een positieve uitkomst zijn vanaf 2027 baten begroot. Het risico is dat de uitkomst negatief uitpakt en deze baten niet gerealiseerd kunnen worden.
Risico's niet-kwantificeerbaar*10%050.0002026 e.v.
Voor de niet-kwantificeerbare risico's wordt een opslag in het risicosimulatiemodel opgenomen. Deze risico's worden hierna afzonderlijk toegelicht.
Inregelkosten huisbankier*50%01.8002027
50%
0
600
2028
50%
0
600
2029
50%
0
600
2030
Als gevolg van de verplichte nieuwe aanbesteding van de huisbankier bestaat de mogelijkheid dat er overgestapt moet worden op een nieuwe huisbankier. Dit betekent dat er dan op verschillende plekken in de organisatie extra aanpassingen gedaan moeten worden, onder andere in systemen en communicatiemiddelen.
Overheveling Studietoeslag DUO*50%02.5002027 e.v.
In april 2022 heeft een wetswijziging plaatsgevonden rondom de Individuele Studietoeslag (IST). Per 1 april is de regeling veranderd naar de Studietoeslag (ST), en daarbij ook enkele voorwaarden van de regeling.
Sinds de wetswijziging zien we een stijging in zowel het aantal verstrekkingen als de uitgaven. Vanaf 2026 zou de studietoeslag naar DUO gaan. Echter heeft dit vertraging opgelopen waardoor we deze kosten in 2026 nog maken. In 2026 is hier rekening mee gehouden en dekt Rotterdam de kosten. De onzekerheid, er daarmee risico, of de overheveling in 2027 plaats gaat vinden.
Doelgroepenvervoer*25%03.9002027
25%
0
3.200
2028
25%
0
2.400
2029
25%
0
1.600
2030
De juridische procedure over de aanbesteding van het doelgroepenvervoer (hoger beroep) is afgerond. De tegenpartij heeft echter nog wel de mogelijkheid om in cassatie te gaan, de uiterlijke termijn hiervoor is eind augustus.
De ingangsdatum van het nieuwe contract is juli 2026. Binnen het nieuwe contract zijn een aantal onzekerheden aanwezig zoals: het aantal ritten en de opbrengsten eigen bijdrage CAV.
Parkeergarage Museumpark - claim aannemer*50%03.7002026
De totale claim die door de aannemer is neergelegd bij de Rechtbank Rotterdam t.a.v. de gemeente bedraagt €3,7 mln. Omdat deze claim verschillende onderdelen bevat en het tussenvonnis pas medio oktober 2026 wordt uitgesproken, is er op dit moment geen enkele indicatie te geven van hoe dit vonnis zal uitpakken.
In overleg met het team adviseren we op dit moment 50% van de claim aan te houden voor de begroting 2027. Zie in de tabel hierboven.
Nieuw Risico *
Niet-kwantificeerbare risico's
Risico achtervang Waarborgfonds Sociale Woningbouw
Het WSW heeft als doel woningcorporaties te helpen toegang te krijgen tot de kapitaalmarkt door zekerheid te bieden aan geldverstrekkers over rente- en aflossingsverplichtingen van leningen. Als het WSW in financiële problemen komt, kan het beroep doen op de gemeente en het Rijk voor hulp.
Het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) beschikt over een fondsvermogen en kan daarnaast indien nodig obligo ophalen bij deelnemende woningcorporaties.
Op het gecommitteerd obligo doet het WSW alleen een beroep wanneer dat noodzakelijk is om middelen in liquide vorm beschikbaar te hebben voortvloeiend uit het risicovermogen in relatie tot geborgde verplichtingen.
Ook kunnen woningcorporaties in financiële problemen onder bepaalde voorwaarden een aanvraag doen voor saneringssteun.
Woningcorporaties bekostigen de saneringssteun zelf via een wettelijk verplichte heffing. Financiële problemen bij corporaties worden in eerste instantie dus betaald door de corporatiesector zelf via het fondsvermogen WSW, obligo en de saneringsheffing.
Pas daarna komen het Rijk en gemeenten in beeld via de achtervang. De achtervang is nog niet eerder aangesproken en de kans dat dit in de toekomst gebeurt is zeer klein.
Risico achtervang Waarborgfonds Eigen Woningen
Het WEW biedt via de Nationale Hypotheek Garantie (NHG) zekerheid aan geldverstrekkers voor het geval een huiseigenaar zijn hypotheek niet kan betalen. Als een woning gedwongen verkocht moet worden, kan de geldverstrekker het WEW aanspreken voor de restschuld. De gemeente is alleen achtervanger voor hypotheken die vóór 1 januari 2011 zijn afgesloten.
Voor latere hypotheken is het Rijk volledig verantwoordelijk. Voor de portefeuille uit de periode vóór 2011 loopt de omvang van de resterende garanties inmiddels hard af.
Het onroerend goed is tegelijkertijd sterk in waarde gestegen. Daarnaast beschikt het WEW over eigen buffers en premie-inkomsten (zoals de eenmalige aanvraagpremie) om verliezen op te vangen. De kans dat het Rijk én gemeenten daadwerkelijk moeten bijspringen (via renteloze leningen) is praktisch verwaarloosbaar.
Risico op schade aan gemeentelijke kunstcollectie
De gemeentelijke kunstcollectie is niet verzekerd. De gemeente is risicodrager voor eventuele schade aan de collectie.
Risico op schade a.g.v. natuurrampen en terrorisme
Het is niet ondenkbaar dat Rotterdam te maken krijgt met een ramp of een daad van terrorisme, die leidt tot forse financiële schade voor de gemeente Rotterdam.
Wet Open Overheid
Op 5 oktober 2021 heeft de Eerste Kamer de Wet open overheid (Woo) aangenomen. De wet is op 1 mei 2022 in werking getreden. Met deze wet is een nieuwe basis gegeven aan zowel de actieve als de passieve openbaarmaking van overheidsinformatie. In 2021 heeft de raad een aantal moties aangenomen die verdere transparantie moeten bevorderen.
De Woo biedt een nieuw kader en daarmee een nieuwe kans om in Rotterdam de actieve en passieve openbaarmaking verder te professionaliseren en daarmee transparantie richting burgers te verbeteren. Hiervoor is het programma Rotterdam Transparant gestart.De rijksbijdrage voor invoering van de wet is een stuk lager dan werd verwacht. Dit heeft twee oorzaken:
1) Het verschil met de eerste aanname (verdeling 100% op basis van aantal inwoners gemeente) en de werkelijke bijdrage heeft alles te maken met de verdeelsleutel. Iedere gemeente heeft een vast bedrag ontvangen van ca 60% en het overige deel van 40% is op basis van het aantal inwoners verdeeld. De verdeling heeft voor een grote gemeente zoals Rotterdam nadelig uitgepakt.
2) Daarnaast heeft het Rijk minder incidentele middelen beschikbaar gesteld.De overleggen met VNG, G4 en Rijk hebben nog niet geleid tot een hogere rijksbijdrage.
Het oorspronkelijke plan bedroeg €2,3 mln per jaar. Beschikbaar is nu totaal € 4,6 mln voor de periode 2023 tot en met 2027, wat neerkomt op ca. € 0,9 mln per jaar.De gemeente wenst de rijksbijdrage als kaderstellend te beschouwen.
Dit betekent dat de Woo gefaseerd wordt ingevoerd en de uitvoering van het oorspronkelijk voorgestelde basisscenario niet volledig haalbaar is. De invoering van de Woo is nog met veel onzekerheden omgeven.
Zo weten we niet welke aantallen informatiezoekvragen en Woo-verzoeken de gemeente zal ontvangen, welke werklasten dit met zich meebrengt, wat de relatie met andere wetgeving (zoals de Wet hergebruik overheidsinformatie) is en wat de kosten van onderzoek zullen zijn.
Openbaar Lichaam Gezamenlijke Brandweer (OLGB)
De financieringsstructuur van de OLGB in haar totaliteit staat onder druk. Het aantal aanwijzingen m.b.t. bedrijfsbrandweerplichtigheid loopt terug, waardoor de lasten van het bedrijfsleven door steeds minder schouders worden gedragen. Inmiddels is bekend geworden dat diverse grote bedrijven in de haven de poorten sluiten (o.a. Lyondell Basel, Westlake, Gunvor).
De burgemeester, directeur van de GB, de CIBUA en de VRR zijn over de financieringsstructuur in overleg, in gezamenlijkheid richting en met het Rijk om te bekijken in hoeverre het mogelijk is om via wetgeving meer bedrijven dan alleen de CIBUA-leden mee te laten betalen aan de GB.
Voorziening pensioenen college
Vanwege toekomstige pensioenverplichtingen van (oud-)bestuurders heeft de gemeente Rotterdam in overeenstemming met regelgeving een pensioenvoorziening gevormd. De benodigde hoogte is enerzijds voor een belangrijk deel afhankelijk van de ontwikkeling van de rentestand en wordt periodiek (her)berekend.
Een gestegen rente leidt tot een lagere benodigde voorziening (en vrijval); een gedaalde rente tot een hogere voorziening en een extra storting.
Anderzijds speelt mee dat door de invoering van de Wet Toekomst Pensioenen, de pensioenvoorziening naar verwachting per 1-1-2028 zal worden overgedragen aan het ABP. De door het ABP gehanteerde dekkingsgraad is hierbij een belangrijke indicator voor de benodigde omvang van de over te dragen voorziening.
Een stijging van deze dekkingsgraad 2027 zal nog tot een aanvullende storting in de voorziening leiden, voordat deze wordt overgeheveld naar het ABP.
Risico op klimaatschade
Onder klimaatschade verstaan we de economische schade die ontstaat door de extreme weergebeurtenissen, zoals overstromingen, zware regen en hagelbuien, windhozen en extreme temperaturen e.d. Deze gebeurtenissen nemen in aantal en intensiteit toe.
De kans op economische schade voor de gemeente die ontstaat door extreme weergebeurtenissen stijgt met de veranderingen van het klimaat. Voorheen werd hier nog geen rekening mee gehouden in het weerstandsvermogen.
De risico’s zijn geïnventariseerd. Deze hebben vooral betrekking op bodemdaling, wateroverlast en hitte en vertalen zich in klimaatkosten hoofdzakelijk in het fysieke domein, zoals voor wegen, civiele kunstwerken en vastgoed.
Deze kosten zijn deels verdisconteert in de begroting, zoals: door oplopende beheerlasten en het hanteren van bijvoorbeeld een hogere prijs per vervangen meter riolering dan andere gemeenten; het opstellen van een hitteplan; en het creëren van meer koele plekken door extra bomen te planten en te vergroenen.
Daarnaast leidt klimaatverandering tot risico’s en schade op andere manieren zoals: • Aansprakelijkheidsstelling van de gemeente bij onvoldoende capaciteit van het rioolstelsel of ondergelopen tunnels, waardoor privaat vastgoed beschadigd raakt, straten onbegaanbaar worden voor hulpdiensten en voor sommige Rotterdammers hulp te laat komt.
• Lagere (huur)opbrengsten en een noodzaak voor het op hoogte houden van maatschappelijke voorzieningen als kinderboerderijen, volkstuinen en speeltuinen, die minder bruikbare ruimte overhouden als gevolg van meer wateroverlast door klimaatverandering.
• Scholen en/of kinderdagopvangen (maatschappelijk vastgoed) die zomers niet afdoende gekoeld en geventileerd kunnen worden, waardoor leerlingen naar huis gestuurd worden. De gemeente wordt geacht deze schoolgebouwen aan te passen voor een beter binnenklimaat.
• Schade aan verkeersregelinstallaties, laadinfrastructuur, wegen, kunstwerken en straatverlichting door water of hitte.
• Gezondheidsschade als gevolg van een slechte luchtkwaliteit en/of geluidsoverlast door de noodzaak voor natuurlijke ventilatie bij hittegolven in drukke, hoogstedelijke wijken.
Boetes en dwangsommen
Toezichthoudende of rechterlijke instanties kunnen aan de gemeente een boete of dwangsom opleggen, indien hij zich bij de uitvoering van zijn activiteiten niet houdt aan een wettelijk voorschrift of een rechterlijke uitspraak.
Gemeentelijke hulp aan gedupeerden kinderopvangtoeslagschandaal
De gemeente Rotterdam biedt in opdracht van het Rijk brede ondersteuning aan (erkent) gedupeerde van de kinderopvangtoeslagschandaal. De ondersteuning is gericht op een nieuwe start, met vertrouwen in zichzelf en biedt hulp of ondersteuning op 5 leefgebieden: “financiën, wonen, zorg, gezin en werk”, waarbij eventuele materiele belemmeringen worden opgepakt.
De brede ondersteuning wordt volledig gefinancierd vanuit de SPUK Gemeentelijke hulp aan gedupeerden kinderopvangtoeslagschandaal. De huidige regeling is gegarandeerd tot en met eind 2026. Er wordt momenteel onderhandeld tussen de VNG en het Rijk over een gefaseerde afbouw vanaf 2027, een precieze invulling hiervan is echter nog onzeker en onduidelijk.
Wanneer de SPUK-regeling volledig komt te vervallen, terwijl Rotterdam nog steeds (erkent) gedupeerden ondersteunt, kan dit leiden tot toenemende zorgkosten. Daarnaast bestaat het risico dat bij een abrupte beëindiging van de regeling de ondersteuning aan gedupeerden wegvalt, zonder dat zij tijdig en zorgvuldig naar reguliere voorzieningen kunnen worden begeleid.
Risico op aansprakelijkheid aanbesteding Centrale Bibliotheek*
De gemeente loopt een aansprakelijkheidsrisico op de aanbesteding van de Central Bibliotheek. Het voortdoen van dit risico is zeer gering.
Netcongestie*
Netcongestie kan leiden tot vertraging van woningbouw, verduurzaming, laadinfra en andere ruimtelijke ontwikkelingen in Rotterdam. De gemeente is daarbij sterk afhankelijk van externe partijen, zoals netbeheerders en het Rijk. Hierdoor bestaat het risico dat beleidsdoelen later of slechts gedeeltelijk worden gerealiseerd en dat aanvullende maatregelen nodig zijn.
Cybersecurity*
Een ernstig cyberincident, waaronder ransomware, kan daarom ondanks getroffen maatregelen nooit volledig worden uitgesloten. De gemeente is voor haar dienstverlening afhankelijk van een groot aantal onderling verbonden IT- en OT-omgevingen, informatiesystemen, infrastructuren en leveranciers.
Een incident in een essentiële omgeving kan daardoor leiden tot een brede en langdurige verstoring van gemeentelijke dienstverlening en kritieke bedrijfsprocessen. De gemeente investeert daarom structureel en gericht in maatregelen om de cybersecurity, informatiebeveiliging en de digitale weerbaarheid van haar IT- en OT-omgevingen te vergroten.
De afgelopen jaren zijn belangrijke stappen gezet in het versterken van preventie, detectie, respons en herstel. Hiermee wordt de kans op een ernstig incident en als dit incident zich toch voordoet, de maatschappelijke en financiële impact daarvan zo veel mogelijk beperkt.
Daarbij wordt invulling gegeven aan relevante wettelijke en regelgevende vereisten (zoals NIS2) en zijn diverse technische, organisatorische en procesmatige maatregelen ingericht. Deze aanpak heeft ertoe geleid dat de gemeente haar digitale weerbaarheid aantoonbaar heeft versterkt en risico’s actief beheerst.
Tegelijkertijd leert de praktijk dat zelfs organisaties met volwassen beveiligingsmaatregelen geconfronteerd kunnen worden met nieuwe en onverwachte kwetsbaarheden.
Voorbeelden hiervan zijn de CITRIX-problematiek (2020), de wereldwijde Log4Shell-kwetsbaarheid (2021) en diverse ransomware-aanvallen en datalekken bij (semi)overheidsorganisaties in de afgelopen jaren.
Dergelijke kwetsbaarheden laten zien dat de digitale dreiging zich voortdurend ontwikkelt (zeker met AI) en dat nieuwe kwetsbaarheden zich zullen voordoen in technologie, software of de toeleveringsketen.
Zeker met de toegenomen geopolitieke spanningen van dit moment neemt de kans op een eventuele aanval toe. De financiële impact van een dergelijk scenario is vooraf niet betrouwbaar te kwantificeren.
De uiteindelijke schade is onder meer afhankelijk van de getroffen omgeving, de omvang en duur van de verstoring, de hersteltijd, de afhankelijkheid van leveranciers, eventuele datalekken, herstel- en vervangingskosten en de noodzaak om tijdelijk alternatieve dienstverlening te organiseren.
Gelet op de omvang en maatschappelijke verantwoordelijkheid van de gemeente kan een grootschalig cyberincident in een vitale of essentiële IT- of OT-omgeving leiden tot schade van enkele tot tientallen miljoenen euro’s per incident.
Prijsstijgingen door hoge inflatie*
De begroting is geïndexeerd op basis van indexcijfers afkomstig uit de voorjaarsraming (CEP) van het CPB. In deze raming werd nog geen rekening gehouden met hogere inflatie als gevolg van de oorlog in Iran. Dit brengt als risico met zich mee dat prijsstijgingen hoger zijn dan de uitgekeerde indexatie.
Nieuw Risico *

Op basis van dit overzicht is de benodigde weerstandscapaciteit berekend. Deze berekening is voor het gros van de risico's gemaakt met behulp van een risicosimulatiemodel, waarbij is uitgegaan van een zekerheidspercentage van 95%. Dit wil zeggen dat wanneer het weerstandsvermogen exact 1,00 is, in 95% van de gevallen de beschikbare weerstandscapaciteit alle risico's kan dekken.

De benodigde weerstandscapaciteit in verband met het risico inzake borgstellingen en garanties wordt afzonderlijk berekend, met behulp van een model dat op dit specifieke risico is toegesneden.

Actualisatie kwantificeerbare risico's

In vergelijking met de Begroting 2026 zijn de belangrijkste wijzigingen in de kwantificeerbare risico’s die ten grondslag liggen aan de berekening van het benodigd weerstandsvermogen onderstaand beschreven. 

De belangrijkste wijzigingen in bestaande risico’s:

  • Het risico rond de Lobby Commissie van Ark is voor 2026 en 2027 is vervallen (€ 38,3 mln, 50%). Tijdens de coalitieonderhandelingen is voor deze jaren invulling gevonden.
  • Het risico met betrekking tot het ruimen van bommen is afgenomen (van € 9 mln naar € 2,8 mln). De voorheen opgenomen reeks ging ervan uit dat Rotterdam actief de bommen ruimt. 
  • Waar bij het risico rond afvalverwerking lachgascilinders eerder alleen rekening werd gehouden met de kosten voor de verwerking van cilinders, omvat dit nu ook het risico van de geschillen tussen gemeente en AVR.
  • Op basis van nieuwe inzichten, uit onder andere de Jaarrekening 2025, is het risico geactualiseerd en verhoogd (van € 40,4 mln naar € 48,8 mln).
  • Het risico voor de inkomensregeling (BUIG) is geactualiseerd op basis van de recente inzichten over het BUIG-tekort en de nieuwe vangnetregeling die vanaf 2026 van kracht is (van € 45 mln naar € 42 mln).

Nieuwe kwantificeerbare risico's:

  • Er is een nieuw risico opgenomen voor de niet-kwantificeerbare risico's. Met de toevoeging van dit risico houdt Rotterdam niet alleen rekening met eventuele financiële gevolgen van kwantificeerbare risico's, maar ook met de niet-kwantificeerbare risico's.
  • Door de verplichte nieuwe aanbesteding van de huisbankier bestaat de kans op een overstap naar een andere huisbankier. Dit kan leiden tot extra aanpassingen in onder andere systemen en communicatiemiddelen.
  • Vanaf 2026 zou de uitvoering van de studietoeslag zijn overgedragen van Rotterdam naar DUO. Dit proces heeft echter vertraging opgelopen, waardoor Rotterdam de kosten in 2026 nog zelf maakt. Er bestaat nog onzekerheid over het moment waarop de overdracht plaatsvindt.
  • Rotterdam kent onzekerheden en loopt daarmee risico omtrent de lopende juridische procedures die verband houden met de nieuwe aanbesteding van het doelgroepenvervoer. 
  • Er is nog geen uitspraak vanuit Rechtbank Rotterdam over de claim die de aannemer van  Parkeergarage Museumpark heeft ingediend. Zolang deze uitspraak uitblijft, blijft er een risico voor de gemeente bestaan.

Vervallen kwantificeerbare risico's:

  • Er is een verliesvoorziening getroffen voor de Grondbank RZG Zuidplas waarmee het risico is komen te vervallen.

Actualisatie niet-kwantificeerbare risico's

Er zijn vier nieuwe niet-kwantificeerbare risico's opgenomen: Aansprakelijkheid aanbesteding Centrale Bibliotheek, Netcongestie, Cybersecurity en Prijsstijgingen door hoge inflatie.

 

Benodigde weerstandscapaciteit

Onderstaande tabel laat de verwachte ontwikkeling van de benodigde weerstandscapaciteit zien. De berekening van de benodigde weerstandscapaciteit is op basis van de restrisico's. 

Benodigde weerstandscapaciteit

 (bedragen x € 1 mln, balansstanden ultimo jaar)

2024 2025 2026 2027 2028 2029 2030
Benodigde weerstandscapaciteit 88 77 95 110 143 145 148

 

Beschikbare weerstandscapaciteit

Voor de bepaling van de beschikbare weerstandscapaciteit wordt gerekend met de volgende bestanddelen:

  • de algemene reserve;
  • de bestemmingsreserves die zijn gevormd om een specifiek financieel risico af te dekken (kortweg aangeduid als: de risicoreserves);
  • de wettelijk verplichte stelpost voor onvoorziene lasten (kortweg aangeduid als: stelpost onvoorzien).

Dit sluit aan bij het primaire doel van het weerstandsvermogen: het opvangen van plotselinge, niet begrote financiële tegenvallers, zonder dat er direct moet worden bezuinigd. Stille reserves lenen zich in de praktijk niet of nauwelijks voor het opvangen van plotselinge financiële tegenvallers, omdat ze niet per direct gerealiseerd kunnen worden. En het aanwenden van bestemmingsreserves, die voor een specifiek doel worden aangehouden, moet de facto worden opgevat als een bezuiniging. De stijging van de algemene reserve van 2025 naar 2026 komt voornamelijk door het rekeningresultaat over 2025. 

Beschikbare weerstandscapaciteit

(bedragen x € 1 mln, balansstanden ultimo jaar)

2024 2025 2026 2027 2028 2029 2030
Kredietrisicoreserve 20 20 21 21 21 21 21
Bestemmingsreserve WWB meerjarig 29 23 25 25 25 25 25
Risicoreserves 49 43 45 45 45 45 45
Algemene reserve 95 39 132 148 164 135 100
Stelpost onvoorzien 1 1 1 1 1 1

1

             
Beschikbare weerstandscapaciteit* 145 82 178 194 210 181 146
* Er kan sprake zijn van een afrondingsverschil

 

Weerstandsvermogen

Conform coalitieakkoord wordt gestuurd op een weerstandsvermogen van minimaal 1,00, passend bij de financiële risico's die de gemeente loopt. Met andere woorden: de beschikbare weerstandscapaciteit zou tenminste gelijk moeten zijn aan de benodigde weerstandscapaciteit.

Weerstandsvermogen

(bedragen x € 1 mln, balansstanden 31 december)

2024 2025 2026 2027 2028 2029 2030
Beschikbare weerstandscapaciteit 145 82 178 194 210 181 146
Benodigde weerstandscapaciteit 88 77 95 110 143 145 148
Weerstandsvermogen 1,65 1,07 1,87 1,76 1,46 1,25 0,99
Norm gemeente Rotterdam Coalitieakkoord 2026-2030: minimaal 1,00

 

Ontwikkeling weerstandsvermogen

In de onderstaande tabel is te zien hoe het (verwachte) verloop van het weerstandsvermogen zich verhoudt tot het (verwachte) verloop dat vorig jaar in de begroting is gepresenteerd.

Weerstandsvermogen

 (bedragen x € 1 mln, balansstanden ultimo jaar)

2024 2025 2026 2027 2028 2029 2030
Beschikbare weerstandscapaciteit (Begroting 2026) 145 94 110 138 163 175  
Benodigde weerstandscapaciteit (Begroting 2026) 88 77 109 136 162 161  
Weerstandsvermogen (Begroting 2026) 1,65 1,23 1,01 1,01 1,01 1,09  
Beschikbare weerstandscapaciteit (Tweede herziening 2026) 145 82 178 194 210 181 146
Benodigde weerstandscapaciteit (Tweede herziening 2026) 88 77 95 110 143 145 148
Weerstandsvermogen (Tweede herziening 2026)                   1,65                   1,07                   1,87                   1,76                   1,46                   1,25                   0,99

Wettelijk voorgeschreven kengetallen

Onderstaand worden uitsluitend de financiële kengetallen weergegeven die op grond van het Besluit Begroting en Verantwoording moeten worden vermeld in de paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing. Het complete overzicht van alle door de gemeente Rotterdam gehanteerde financiële kengetallen, inclusief toelichting, is terug te vinden in het onderdeel Financiële kengetallen.

Verplichte financiële kengetallen o.g.v. BBV 2024 2025 2026 2027 2028 2029 2030
Netto schuldquote 29,1% 31,6% 39,9% 51,7% 58,8% 62,4% 62,6%
Netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen 27,2% 29,9% 38,5% 50,4% 57,5% 61,2% 61,4%
Solvabiliteitsratio 53,6% 51,3% 47,0% 42,4% 41,3% 41,2% 41,4%
Structurele exploitatiesaldo -1,8% 3,0% 0,8% 2,0% 3,4% 3,5% 3,2%
Grondexploitatie -1,7% -1,5% -1,0% -0,8% -1,9% -3,1% -4,3%
Belastingcapaciteit 103% 102% 103% 107% n.v.t. n.v.t. n.v.t.